Instellingsplan

Het bestuur van een universiteit of hogeschool dient om het jaar een instellingsplan vast te stellen. Dit plan moet de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die periode beschrijven. In het plan moet aandacht worden besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling.

De plicht tot het vaststellen van een instellingsplan geldt zowel voor bijzondere als voor openbare instellingen voor hoger onderwijs. Een 'bijzondere instelling voor hoger onderwijs' is een universiteit of hogeschool die in stand gehouden wordt door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid. Een openbare universiteit of hogeschool wordt van overheidswege in stand gehouden.

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, WHW, artikel 2.2 vermeldt:

Artikel 2.2. Instellingsplan

Het instellingsbestuur stelt om het jaar een plan met betrekking tot de instelling vast. Het plan geeft een omschrijving van de inhoud en de specificatie van het voorgenomen beleid van de instelling voor die periode. In het plan wordt aandacht besteed aan de voornemens in verband met de bevordering van de kwaliteit van het onderwijs en het verbeteren van de inrichting van de opleidingen aan de instelling. Het instellingsbestuur maakt het plan openbaar.

Artikel 2.2a. Procedure en inhoud instellingsplan onderzoekinstellingen

  1. Het instellingsbestuur van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en het instellingsbestuur van de Koninklijke Bibliotheek stellen in afwijking van artikel 2.2 een instellingsplan vast uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige plan en zenden dit na vaststelling onverwijld aan Onze minister.
  2. In het instellingsplan wordt rekening gehouden met het wetenschapsbudget, bedoeld in artikel 16a van de Wet op de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek, de instellingsplannen van universiteiten, verkenningen, rapporten, adviezen en aanbevelingen een en ander voorzover die naar het oordeel van het instellingsbestuur van belang zijn voor de uitvoering van de taken van de instelling.
  3. Het instellingsplan omvat in elk geval:
    • a. de doelstellingen van de instelling voor wetenschappelijk onderzoek op middellange termijn,
    • b. de hoofdlijnen van het te voeren beleid en de daarin te stellen prioriteiten, en
    • c. de financiële, personele, materiële en organisatorische voorwaarden die moeten worden vervuld.
  4. Onze minister brengt zijn standpunt over het instellingsplan binnen zes maanden na ontvangst van het plan ter kennis van het instellingsbestuur. Onze minister doet daarvan en van het instellingsplan afschrift toekomen aan de beide Kamers der Staten-Generaal.
  5. Onze minister kan zijn standpunt over het instellingsplan gedurende de looptijd daarvan wijzigen, indien de vaststelling van een nieuw wetenschapsbudget daartoe aanleiding geeft. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.3. Hoger onderwijs- en onderzoekplan

  1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voor onderwijs en onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, stelt mede op grondslag van de gegevens vermeld in de jaarverslagen omtrent het voorgenomen beleid ten aanzien van de werkzaamheden van de instellingen een hoger onderwijs- en onderzoekplan vast. Het plan heeft betrekking op een tijdvak van ten minste vier jaren.
  2. Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat de voornemens ten aanzien van het door Onze minister te voeren beleid met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
  3. Het hoger onderwijs- en onderzoekplan bevat voorts in ieder geval:
    • a. een overzicht van omstandigheden en gegevens die van belang zijn voor het met betrekking tot het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek te voeren beleid, en van de gewenste ontwikkelingen, daaronder mede begrepen wijzigingen ten aanzien van de maatschappelijke behoeften aan hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
    • b. algemene voornemens die in de beleidregels, bedoeld in artikel 6.2, vierde lid , worden opgenomen, en
    • c. een financiële raming in verband met de bekostiging van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden van de instellingen.

Artikel 2.4. Vaststelling hoger onderwijs- en onderzoekplan

  1. Het hoger onderwijs- en onderzoekplan wordt vastgesteld uiterlijk vier jaar na het tijdstip van vaststelling van het vorige hoger onderwijs- en onderzoekplan.
  2. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap biedt uiterlijk zes maanden voorafgaand aan het moment waarop het hoger onderwijs- en onderzoekplan uiterlijk moet zijn vastgesteld, een ontwerp van dat plan aan de beide Kamers der Staten-Generaal aan.
  3. Over de wijze waarop het vastgestelde plan wordt openbaar gemaakt, doet Onze minister mededeling in de Staatscourant .